Hoe Europese en nationale soevereiniteit combineren?

In zijn nieuw boek “Kapitaal en Ideologie” maakt Thomas Piketty (*) een omvattende maar verfijnde analyse, van de geschiedenis van politieke verhoudingen, ideologieën en conflicten in de recente geschiedenis. Europa krijgt daarin expliciet aandacht van de auteur. Hoe het Europees economisch-politiek project terug geloofwaardig maken bij de bevolking? Hij formuleert een aantal nieuwe denkpistes over de politieke organisatie van Europa, los van de huidige constructie van de EU.

In zijn eerste drie delen van het boek onderzocht Thomas Piketty (foto) wereldwijd de transformaties die sociaal ongelijke samenlevingen doormaakten in de geschiedenis,van India, China tot de Verenigde Staten. tot de hyperkapitalistische en postcommunistische samenlevingen van vandaag. Hij legt steeds de nadruk op de politiek-ideologische dimensies van de ontwikkelingen. Elke sociaal ongelijke, inegalitaire samenleving doet een beroep op de theorie van rechtvaardigheid. De sociale ongelijkheid moet gerechtvaardigd worden en steunen op een geloofwaardige visie op de organisatie van een samenleving. Dat heeft tot gevolg dat het politiek-economisch beleid,  een reeks strategische, conceptuele en praktische vragen moet beantwoorden over bijv. de grenzen van een natie, de organisatie van de eigendom, de toegang tot onderwijs, en de spreiding van de belastingdruk. In het vierde deel onderzoekt hij de electorale democratie in en hoe conflicten rond sociale rechtvaardigheid en de inrichting van een rechtvaardige economie tot uiting komen, niet alleen via betogingen, revoluties, politieke pamfletten, boeken en de pers, maar ook in het stemhokje. In dit verband is Piketty heel kritisch over het huidige Europese project en formuleert een aantal voorstellen.

Hij begint met de vaststelling dat de kloof verder verdiept tussen de lagere sociale klassen en het huidig Europees project. Hij vindt het bijzonder risicovol voor de stabiliteit van Europa dat het Europees project wordt geïnstrumentaliseerd om belastingverlagingen voor de rijken te rechtvaardigen. Deze instrumentalisering is niet nieuw. Piketty besteedt in zijn boek uitvoerig aandacht aan de totale liberalisering van de kapitaalstromen, bij afwezigheid van een collectieve fiscale regelgeving leidt dit tot fiscale concurrentie tussen de staten. De impliciete hypothese lijkt te zijn dat elke natiestaat zijn probleempjes maar alleen moet oplossen en dat internationale verdragen alleen dienden om het vrij verkeer te regelen en te beletten dat staten er inbreuk op maakten.

Hoge, rechtvaardige belastingen voeden ontwikkeling

Piketty meent dat die deregulering niet alleen op het conto van de Angelsaksische conservatieve revolutie dient te worden geschreven. Ook Franse en Duitse invloeden hebben een centrale rol gespeeld in de ontwikkeling. Piketty wijst op het Duitse ordoliberalisme en een sterke Franse liberale traditie met als boegbeeld, in de tweede helft van vorige eeuw Valéry Giscard d’Estaing. Hij was eerst vijftien jaar minister van Financiën (1959-1974) en vervolgens president van Frankrijk (1974-1981). Nadien was hij voorzitter van de werkgroep (onder meer met het invloedrijk lid, de Belg Jean-Luc Dehaene)(foto) die de ontwerptekst voor de Europese Grondwet opstelde, een tekst die de facto het vrije verkeer van kapitaal en de unanimiteitsregel in belastingzaken heilig verklaarde.  De auteur verwijst naar de referenda in Frankrijk, Nederland (2005) waar het volk in een referendum de Grondwet verwierp. Tijdens een referendum(1992) in Frankrijk over de invoering van de euro trok het ja- kamp nauwelijks aan het langste eind: 51 tegen 49%. Dat was goeddeels te danken aan een last-minute oproep van de socialistische president François Mitterrand die hij deed nadat peilingen op een overwinning van het nee- kamp wezen. Hoe de kloof verklaren tussen het Europese EU-project en de lagere klassen in bredere zin? Veel mensen hebben volgens Piketty – terecht – het idee dat vooral de machtigste en rijkste Europese spelers profiteren van  de gezamenlijke Europese markt. Door de onderlinge fiscale concurrentie zien de Europese landen zich gedwongen hun  inkomsten te laten eroderen, ten nadele van de welvaartsstaat en de lagere sociale klassen. Piketty is geobsedeerd door het behoud- herstel van de progressiviteit van de belastingen omdat tot nu toe de hogere klassen van deze kapitaalsderegulering profiteerden ten nadele van de sociale en fiscale staat en de midden- en lagere klassen.

Nochtans was het in een niet zo ver verleden anders. In de 19e –begin 20e eeuw  bedroegen de totale belastinginkomsten (heffingen, premies, bijdragen van alle overheden) minder dan 10% van het inkomen in Europa en de VSA. Vervolgens ging dat cijfer in de jaren 1920 en 1930 omhoog tot 30% van het nationaal inkomen in de Verenigde Staten, 40% in het Verenigd Koninkrijk, 45% in Duitsland, en 50% in Frankrijk en zweden. In elk geval geen enkel rijk land is er volgens de auteur in geslaagd zich te ontwikkelen met belastingopbrengsten die beperkt zijn tot 10 of 20% van het nationaal inkomen. Piketty verwijst naar een reeks publicaties waarin wordt bewezen dat de belastingstaat geen belemmering was voor de economische groei, maar integendeel een centrale rol speelde in de moderniseringsprocessen en ontwikkeling van Europa en de VSA in de twintigste eeuw. Piketty denkt aan betrekkelijk egalitaire investeringen in onderwijs, gezondheidszorg, pensioenen en om in tijden van recessie de economie en samenleving te stabiliseren, aan de werkloosheidsverzekering (red. zie de tijdelijke werkloosheid voor 1,2 miljoen Belgische werknemers in corona tijden). Voor de auteur is de periode 1910-1950 van cruciaal belang voor de rolverandering van de staat.  In 1910 sloopten de ordehandhaving (leger, politie, justitie) bijna alle belastingbaten op. Dat wil zeggen ca 8% van het nationaal inkomen op een totaal van amper 10%. Alle andere uitgaven moesten het doen met minder dan 2%. Piketty: “Die opzienbarende ontwikkeling van de fiscale staat, was alleen maar mogelijk na een grondige metamorfose van de politiek-ideologische machtsverhoudingen in de periode 1910-1950. Dit speelde zich af in een context waarin grote oorlogen, crisis en revoluties overduidelijk maakten dat de zelfregulerende vrije markt tegen zijn grenzen aanliep en dat er behoefte was aan een sociaal ingekaderde economie” (blz.493).

De vloek van unanimiteit

Piketty meent dat het nog altijd  kan, als de politiek-ideologische krachtsverhoudingen het mogelijk maken, om op nationaal niveau een ambitieuze herverdelingspolitiek te voeren, ook in natiestaten zoals de Europese landen, met vooraan de grootste. Daarnaast is er niets wat landen verbiedt internationaal samen te werken, in het bijzonder op fiscaal gebied, om te werken aan een economisch ontwikkelingsmodel dat duurzamer en sociaal eerlijker is. De Fransman Piketty verwijst naar het voorbeeld van Frankrijk. Daar werd door links de Impôt sur la fortune, (ISF) ingevoerd (en afgezwakt door E. Macron). Ondanks falend beheer van de fiscus en de fiscale concurrentie stegen de opbrengsten sterk tussen 1990 en 2018. (blz. 918)

Naast de acties op nationaal niveau is een aanpak op Europees niveau noodzakelijk om sociale rechtvaardigheid en de herverdeling van rijkdom te bevorderen. Voor hem is het duidelijk dat grondige hervormingsvoorstellen  daarvoor niet rustig harmonieus zullen verlopen in de huidige EU-constructie en eurozone. Er zullen volgens hem nieuwe verdragen moeten komen. Wat Piketty het meest stoort aan de huidige Europese verdragen: de regel van de unanimiteit en het feit dat de Raad van ministers de democratische, parlementaire beraadslaging vervangt. Die unanimiteitsregel geldt voor zaken van belastingen, sociale zekerheid en de begroting van de EU. De regel van een gekwalificeerde meerderheid is van toepassing op besluiten aangaande de regulering van de interne markt, het vrije verkeer van goederen, kapitaal en personen en handelsovereenkomsten. Het zijn de enige gemeenschappelijke besluiten waarop de Europese constructie van de EU is gebouwd. Maar wanneer het gaat om het invoeren van een gemeenschappelijk fiscaal, budgettair en sociaal beleid, en in het bijzonder wanneer de overheidsfinanciën in het spel zijn,  geldt de regel van unanimiteit. In de praktijk betekend dit dat alle landen een vetorecht hebben.  Als bijvoorbeeld Luxemburg,(foto) een land met ongeveer 500.000 inwoners bedrijfswinsten zou willen belasten met een 0 tarief, waarmee het zijn buurlanden berooft, is er niemand die hier een stokje voor kan steken. Elke land, of het nu om Luxemburg, Malta, Cyprus of Ierland gaat, hoe klein ook, kan willekeurig elke belastingmaatregel blokkeren. En aangezien de verdragen  van de EU het volledig vrij verkeer van kapitaal en investeringen waarborgen, zonder enige verplichting tot fiscale samenwerking, zijn alle voorwaarden aanwezig voor een oneindige strijd om de laagste belastingtarieven, ten gunste van het grote mobiele kapitaal.

Europese Kamer

Thomas Piketty weet dat in het grote spel van de wereld met machtsblokken als China en de VS, India en Rusland, Europa soevereiniteit nodig heeft.  Hij komt met een voorstel om Europese soevereiniteit op te bouwen, steunend op de nationale soevereiniteit buiten de huidige EU structuren om. Hij wil een transnationale ruimte creëren, die past bij de Europese geschiedenis en realiteit. Landen die dat willen, zouden bijvoorbeeld een Europese Kamer kunnen creëren. Die Kamer zou bestaan uit afgevaardigden voor 80% uit de nationale parlementen en voor 20% uit het huidige Europese Parlement. De auteur denkt aan initiatieven van  Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje die samen meer dan 70% van het bbp van de eurozone en de bevolking vertegenwoordigen. Die Europese Kamer zou de bevoegdheid krijgen om vier grote belastingen goed te keuren: een belasting op bedrijfswinsten, een belasting op hoge inkomens, een belasting op hoge vermogens en een CO²- heffing. Voor de auteur is het belangrijkste punt van dit voorstel  voor een Europese Kamer dat er ruimte voor overleg en democratische besluitvorming  zou komen die het mogelijk maakt krachtige Europese maatregelen te nemen op het  fiscale en sociale domein, samen met klimaatrechtvaardigheid. Piketty is ervan overtuigd dat het stemgedrag in referenda  van 1992, 2005, 2016 over de euro, de Europese Grondwet en de Brexit,(foto) de kloof tussen Europa en de lagere sociale klassen aanzienlijk gegroeid is. Hij stelt  o.i. terecht dat er zolang geen concrete, zichtbare maatregelen worden genomen, waaruit blijkt dat de Europese eenwording in dienst staat van fiscale, sociale- en klimaatrechtvaardigheid, het moeilijk is om te zien hoe deze situatie zou kunnen veranderen. Een sterke vertegenwoordiging van nationale parlementairen in de Europese Kamer kan het de facto mogelijk maken om de nationale verkiezingen te transformeren tot Europese verkiezingen. Concreet. Wanneer de nationale afgevaardigden sterk vertegenwoordigd zouden worden in de Europese Kamer, zou het voor de partijen en kandidaten die meedoen aan de landelijke verkiezingen niet langer mogelijk zijn om de vinger te wijzen naar Brussel en te beweren dat ze niks te maken hebben met de Europese besluiten. Zodra nationale afgevaardigden hun politieke fractie kunnen vertegenwoordigen in de Europese Kamer en daar mogelijk invloed uitoefenen op de besluiten, moeten de politieke partijen tijdens de landelijke verkiezingen duidelijk maken welk Europees beleid zij in de Europese Kamer willen verdedigen. Het nationale politieke leven zou duidelijk geëuropeaniseerd worden. In die zin lijkt het de auteur uiteindelijk ambitieuzer om een Europees sociaal federalisme na te streven door een Europese parlementaire soevereiniteit op te bouwen die steunt op de soevereiniteit van de nationale parlementen. Piketty vindt dit een  veel betere regeling dan de nationale parlementen buiten spel te zetten  en volledig te steunen op een Europees Parlement dat daarvan onafhankelijk is.  Hij verwijst naar het voorbeeld van het bilateraal Frans- Duits samenwerkingsverdrag. Tijdens  de hernieuwing ervan, begin 2019, werd een Frans- Duitse Parlementaire vergadering ingesteld, bestaande uit een honderdtal leden van de Franse Assemblée en de Duitse Bundestag. Deze vergadering heeft tot nu toe een  raadgevende rol, maar volgens Piketty zou die in principe beslissingsbevoegdheden kunnen krijgen. De auteur wijst erop dat er niks is dat landen tegenhoudt om bilaterale of multilaterale verdragen af te sluiten. Aangezien fiscale bevoegdheden niet tot de Europese Unie behoren, kan de Kamer hierover beslissen zonder in tegenspraak te zijn met de EU-regels. Piketty gaat in op een concreet domein waarover die Europese Kamer zou kunnen beslissen en formuleert bij wijze van denkoefening de manier waarop de Europese Kamer tot progressieve  belastingen zou kunnen beslissen en de opbrengsten zouden billijk verdeeld worden over het Europese niveau én de nationale staten.

Europese Parlementaire Unie

Piketty wil de EU constructie omzeilen zonder ze ter discussie te stellen. Hij wil voor een sociaal fiscale aanpak op Europees niveau via een Europese Parlementaire Unie (EPU). Hij ziet als beginkern de vier grotere landen van de eurozone (Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje). De EPU zou een begroting hebben die wordt gevoed door de gemeenschappelijke belastingen die door de Europese Kamer (zie boven) worden beslist. Als de leden van de EPU weten te bewijzen dat hun versterkte unie naar behoren functioneert en een begin kan maken met het dichten van het Europees deficit op het gebied van fiscale, sociale- en klimaatrechtvaardigheid, kunnen we hopen dat vrijwel alle EU-lidstaten zich op termijn kunnen aansluiten. Piketty vreest dat staten die fors hebben ingezet op sociale en fiscale dumping als een ‘duivel in een wijwatervat’ zullen tegenstribbelen. Hij denkt aan Ierland, Luxemburg, Malta, Cyprus.

Voor Piketty is de werkelijke inzet niet juridisch of institutioneel, maar voor alles politiek en ideologisch. De vraag is of de landen die het meest te lijden hebben onder de fiscale concurrentie deze inzet belangrijk genoeg vinden. Volgens de auteur was tot nu toe de benadering van de meeste regeringen en politieke bewegingen, in het bijzonder de verschillende sociaaldemocratische en socialistische partijen die aan het bewind zijn geweest, dat fiscale concurrentie zeker een probleem is, maar dat het helaas moeilijk op te lossen is zolang landen als Luxemburg, Ierland, Malta niet bereid zijn vrijwillig hun vetorecht op te geven. Volgens de auteur leidt deze benadering tot nergens. Het probleem is veeleer dat de regeringen in grote landen de inzet tot nu toe niet belangrijk genoeg vonden om een scheiding binnen de Europese Unie te riskeren door afzonderlijke politieke instellingen te creëren. (zoals bijv. de EPU- de Europese Kamer). De aarzelingen zijn, met het oog op vernoemd risico, begrijpelijk. Maar zegt Piketty, de risico’s van een status quo, namelijk een definitieve, potentieel fatale kloof tussen de lagere klassen en het Europese project lijkt de auteur veel groter. Met alle politieke gevolgen van dien. Met andere woorden. Dit proces heeft ook nog niet plaatsgevonden omdat veel centrumrechtse, maar ook centrumlinkse krachten, vooral in Duitsland en Frankrijk, blijven denken dat de baten van de fiscale concurrentie groter zijn dan de kosten van de oneindige fiscale wedloop of in elk geval zich niet wagen aan de grote politieke gevolgen die elke wedloop om deze fiscale wedloop te stoppen met zich zou meebrengen.

Piketty aanvaardt dat het een conditio sine qua non is om uit de bestaande EU verdragen te stappen en nieuwe verdragen te sluiten om een nieuw sociaal en fiscaal rechtvaardig beleid mogelijk te maken. Wat Piketty aan de progressieven en links opwerpt is dat ze  wel weten uit welke verdragen ze moeten stappen, maar niet tot welke nieuwe verdragen ze moeten toetreden. Het probleem is dat deze strategie gemakkelijk als anti-Europees kan worden bestempeld door de partijen, lobby’s en bewegingen die de status-quo verdedigen. Sommigen denken dat Europa in een definitieve plooi ligt met de verdragen die de EU-constructie mogelijk maken. Piketty geeft in zijn boek een verfrissende kijk, en stof tot nadenken, over hoe Europa anders en rechtvaardiger kan gestructureerd worden.

(*) “Kapitaal en Ideologie” (2019), Thomas Piketty, uit het Frans vertaald door Ilse Barendregt, Marianne Gaasbeek, Reintje Ghoos, Alexander van Kesteren, Jan Pieter van der Sterre en Nele Ysebaert, Uitgeverij De Geus, 1122 blz.

 

  • Over mij

    • Miel Dullaert
      °1948 Enkele stipmomenten… Kind en tiener Ik ben geboren in Merksem. Ik behoor tot wat men noemt, de babyboomgeneratie of de eerste
      Meer lezen...
  • Citaat

    De Journalist is de historicus van zijn eigen tijd
    (Oriana Fallaci, Italiaanse journaliste 1929- 2006)

  • Edward ELGAR, NIMROD

  • Tag cloud

  • Deel onze pagina op:

    © Copyright 2020 ‐ Miel Dullaert ‐ Alle rechten voorbehouden

    Disclaimer | Privacybeleid

    Webdesign by Eye