Loononderhandeling: vakbondsfront stopt voor ze begonnen is

De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) adviseerde enkele weken geleden dat de lonen in de komende twee jaar met maximaal 0,4 procent mogen stijgen boven de index. Dat advies werd meteen verdedigd door de bedrijfsbazen en neoliberale economen. De rode, groene, blauwe vakbonden ABVV-ACV-ACLVB (foto) vinden dit zo beledigend voor de werknemers dat ze dit geen basis van overleg vonden en verlieten samen het sociaal overleg.

De bazen van VBO en VOKA willen voor de werknemers geen loonsverhoging en verwijzen naar de covid-crisis en de sectoren die het moeilijk hebben. Ze aarzelen niet om de zelfstandigen van de horeca en andere zelfstandige bedrijven te misbruiken om alle werknemers een loonstop op te dringen. Een bijdrage vragen aan de patroons en aandeelhouders die hoge winsten maakten tijdens de pandemie is geen optie natuurlijk. Het cynisme kennende van de meeste bedrijfsleiders kijken ze minachtend neer op de horecaondernemers. Zo verklaarde Marc Rasière van de bank Belfius, een bank die tien jaar geleden werd gered met gemeenschapsgelden, doodleuk “dat er te veel cafés en restaurants zijn en dat enkele faillissementen geen probleem vormen”.  

De loononderhandelingen baden al lang in een neoliberaal sfeertje waarin het patronaat een strijd voert voor loonkostverlagingen die “de concurrentiekracht van onze bedrijven moet waarborgen”. Precies of de concurrentiekracht hangt enkel af van de hoogte van de lonen van de werknemers. De norm heeft niet belet dat vele bedrijven naar lagere loonlanden vluchtten. Hoge vergoedingen voor managers en aandeelhouders blijken de concurrentiekracht niet aan te tasten. En in hoogtechnologische bedrijven is de loonkost een peulschil en bepalen vnl. technologische innovaties en marktstrategieën de concurrentiekracht.

1989

In 1989 bestond al een loonnorm. Maar die was niet afdwingbaar. In de zomer van 1996 werd de die norm door de “centrumlinkse” regeringen (die zich beperkten tot sociale correcties van de neoliberale sociale afbraakpolitiek) in een wet gegoten. De kaderwet “ter bevordering van werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen” verplichtte vakbonden en patronaat die na te leven. De patronaal gerichte “Centrale Raad voor het Bedrijfsleven” (CRB) kreeg een sleutelrol in het berekenen van wat de loonkostenhandicap werd genoemd. De handicap maakte voortaan deel uit van het sociaal overleg alsof het een ziekte is waaraan de economie lijdt.  Wanneer de vakbonden en patronaat niet tot een akkoord kwamen in 1996 greep de regering in. De loonwet betekende ook een fundamentele wijziging in de opstelling van de vakbonden. Die hadden zich na de oorlog in de jaren vijftig al verzet tegen de koppeling van strikt economische normen aan het vrije overleg. Het ‘sociale’ was voorbehouden aan het paritaire overleg binnen de Nationale Arbeidsraad (NAR), de groep van Tien, of de paritaire comités en werd bewust gescheiden van de economische normen. De voordelen die via het sociale overleg bekomen werden, waren het resultaat van de machtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal en mochten niet vervuild worden door de economische eisen van de kapitalistische logica. De loonwet van 1996 brak met die traditie van het ‘sociaal overleg’. De klassensamenwerking van het neocorporatisme leek dood door de eenzijdige opzegging ervan door het kapitaal. De loonwet was er de uitdrukking van in 1996, de hoogtijdagen van het neoliberalisme.

2021

Dertig jaar later zitten we nog met die verplichte loonnorm. En het patronaat maakt er zoals nu blijkt gretig gebruik van. Nog voor de gesprekken tussen werkgevers en vakbonden goed en wel van start kunnen gaan over een tweejaarlijkse Interprofessioneel Akkoord (IPA) zitten ze al een het slop. Het door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) adviseerde 0,4 procent loonmarge voor “opslag”. Voor een gemiddelde werknemer betekent dat volgens het ACV een opslag van 9 à 10 euro bruto per maand, voor een minimumloon zelfs maar 6 euro bruto. Verminder dat nog met een helft en de netto toegenomen koopkracht bedraagt de aankoop van twee broden. Dat is vernederend, zeker als je ziet hoe het afgelopen jaar duizenden werknemers in de privésector, grootwarenhuizen, transport, de verwerkende industrie en de havens, in de covid-lockdowns zich uitgesloofd hebben. ABVV-ACV-ACLVB braken het sociaal overleg en stuurden een brief naar de regering. Op een gezamenlijke persconferentie vroegen ze aan de regering ‘perspectieven’. De centrumlinkse regering houdt voorlopig het been stijf. Toch blijven de vakbonden erbij dat een loonopslag van maximaal 0,4% te beperkt is. Begin dit jaar gaf een multinationale supermarkt een extra vakantiedag aan zijn personeel. Dat is omgerekend volgens de vakbonden al meer dan een loonsverhoging van 0,4 procent. Terwijl die sectoren die winsten maken, iets extra’s geven, zou het betonneren van die 0,4 procent andere sectoren beletten iets extra’s te geven.

Wat de vakbonden het meest hindert is dat de loonnorm bindend is. De vakbonden willen een indicatieve loonmarge, waardoor er meer ruimte is tussen de winstgevende sectoren en de bedrijven die zwaar te lijden hebben onder de crisis. Dat is de geest van het interprofessioneel akkoord, weg van het bedrijfs-corporatisme. Daarenboven meet de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) verkeerd. Er zit heel wat ruis op de berekeningen voor de loonmarge. Voordelen voor het patronaat in verband met de loonvorming zoals verminderde patronale bijdragen door de tax shift of de fiscale vrijstelling voor overuren mogen niet worden opgenomen in de berekeningen. Hierdoor worden de kosten van arbeid in de loonmarge te hoog ingeschat. Hieruit blijkt dat de “objectieve” berekeningen van de CRB in feite vertekend worden door de patronale belangen. De wet en het advies van de CRB zijn zoals eerder gezegd op maat van het patronaat geschreven. De bazen bepalen via de CRB en een volgzame regering de regels, inclusief om vals te spelen. Elke kritiek daarop noemen ze onwettelijk.

Daarenboven laten de werkgevers zich van hun slechte kant zien door de wettelijk voorziene welvaartsenveloppe voor de laagste uitkeringen, vervangingsinkomens voor het behoud van hun koopkracht, te koppelen aan het loonoverleg. De onderhandelingen daarover werden verschillende keren uitgesteld. De regering heeft voor die enveloppe 680 miljoen euro vrijgemaakt. Maar op dit moment, zeggen de vakbonden, worden gepensioneerden, zieken, gehandicapten en werklozen door het patronaat gebruikt als pasmunt voor het loonoverleg. Volgens de loonwet kan de regering uiterlijk op 14 maart – twee maanden na de publicatie van het rapport van de CRB- vaststellen dat een akkoord tussen vakbonden en patronaat onmogelijk is. In dat geval heeft ze één maand tijd om zelf een loonmarge bij wet op te leggen. De vakbonden hebben bij hun politieke vrienden in de regering al aangedrongen om een bredere en met meer speelruimte loonmarge op te leggen. Of de ‘centrumlinkse’ regering er oren naar zal hebben is twijfelachtig, en zo ja, in welke vorm?

Loonafspraken kunnen natuurlijk niet beperkt worden tot afspraken tussenn de toppen van patronaat en vakbeweging. Het verleden leert dat er strijd op het terrein moet gevoerd worden. Twee jaar geleden was er een goed opgevolgde nationale stakingsdag in februari 2019 tegen de toen voorgestelde loonnorm. Het ging om 0,8 procent. Dat werd zoals nu terecht ervaren als een vernederende aalmoes. De stakingsdag toen dwong de bazen om de loonnorm op te trekken tot 1,1%. Het was te weinig, maar het toonde dat alleen strijd loont. Nu is het voorstel nog lager: 0,4 procent.

Globaal gezien kan men stellen dat het sociaal pact tussen kapitaal en arbeid dood is. Het neoliberalisme betekent een confrontatie koers met de wereld van de arbeid. Het kapitaal heeft het laken naar zich toegetrokken, gesteund door regeringen, brutaal als het centrumrechtse zijn, zoals de vorige regering Michel-Van Overtveldt, subtiel als het centrumlinkse zijn. Niets wijst erop dat de huidige ‘centrumlinkse’ regering De Croo-Vandenbroucke kordaat de kant van de werknemers zal kiezen. Centraal moet staan het verwerpen van de 0,4 procent en het breken van de dwingende loonwet van 1996. Wat nodig is, is zoals gezegd, een indicatieve loonnorm. Dat zou het mogelijk maken dat vele winstgevende sectoren zoals de transportsector, de supermarktsector en de digitale- en banksector, substantiële loonsverhogingen organiseren, met een solidariteitsbijdrage van patronaat en overheid ten gunste van die sectoren die het door covid-19 aartsmoeilijk hebben.

  • Over mij

    • Miel Dullaert
      °1948 Enkele stipmomenten… Kind en tiener Ik ben geboren in Merksem. Ik behoor tot wat men noemt, de babyboomgeneratie of de eerste
      Meer lezen...
  • Citaat

    Als je grenzen aangeeft,
    kunnen mensen zich daarbinnen vrij bewegen
    (Lous Van Gaal, voetbaltrainer)

  • Edward ELGAR, NIMROD

  • Tag cloud

  • Deel onze pagina op:

    © Copyright 2021 ‐ Miel Dullaert ‐ Alle rechten voorbehouden

    Disclaimer | Privacybeleid

    Webdesign by Eye