Geschiedenis – 1917, Het Kempische kolenbekken

De ontdekking van het Kempische kolenbekken in de 19e -begin vorige eeuw werd door Arthur Leopold Faingnaert, een christelijk sociaal geïnspireerd Vlaamsgezinde, geanalyseerd in 1917. Arthur Faingnaert publiceerde in de krant Het Vlaamsche Nieuws van 21, 22, 23, 25, 26 september 1917 beknopt de geschiedenis van het Kempische kolenbekken. Hij kwam daarbij tot voor Vlaanderen linkse, socialistische oplossingen voor deze nieuwe bron van economische welvaart, maar wees ook op de gevaren voor Vlaanderen van België en van  buitenlandse kapitaalgroepen. We geven in wat volgt de bijdragen weer die in vermelde krant werden gepubliceerd door A.L. Faingnaert met de specifieke kenmerken van het Nederlands in 1917.

gastschrijver: Joost Vandommele

 

Het Vlaamsche Nieuws 21 september 1917

 De heer Arthur Faingnaert, de bekende kristelijke sociale werker, heeft voor  Het Vlaamsche Nieuws een merkwaardige studie geschreven, waarin hij de huidige toestand ‘bedenkelijk’ noemt, want de ondergrond van de uitsluitend Vlaamse provincies Limburg en Antwerpen is een prooi geworden van vreemde zakenmannen en de Belgische regering heeft nogmaals de belangen van het Vlaamse volk aan Fransen of franselaars opgeofferd. Wij vestigen de aandacht onzer lezers op deze bondige doch volledige studie die wij als mengelwerk mededelen

I. Historiek

1712-gastschr-kaartje kolenbekkens

geologische kaart van steenkoolbekkens in Frankrijk, Wallonië, Vlaanderen, Nederland en Duitsland

Het vraagstuk der kolenmijnen in dezen dagtekent van vóór honderd jaar te dien tijde hadden de gebroeders Castiau verklaard, dat een kolenbekken zich uitstrekte van Roermond, Bree, Diest, Leuven, Brussel, Oudenaarde, Kortrijk tot Wervik. De aanwijzing der gebroeders Castiau gaf zelfs aanleiding tot het vormen van een maatschappij voor de uitbating der… koolmijn Oudenaarde! (zie kaartje)Deze maatschappij begon met een put boren in de nabijheid van XXX maar het werk moest opgegeven wegens de te grote technische moeilijkheden. Later, in 1850, schreef de Hollandse Van Panhuis, dat de Hollands Limburgse ondergrond kolen bevatte. In 1856 drukte de Heer Godwin de op wetenschappelijke opzoekingen steunende mening uit, dat West-Duitsland, Noord-Frankrijk, Zuid-Engeland en Wales vroeger een uitgestrekt continentaal kolengebied vormden, waarvan de gedeelten in de geologische tijden door grondverschuivingen van mekaar gescheiden werden. Deze mening vond weldra bij vele geologen erkenning. Onlangs werd bij Menen nog een peiling gedaan maar zonder gevolg. In de studies van verschillende en scheikundigen in 1875 en door heer Guillaume Lambert had men de grote mogelijkheid van het bestaan van kolenlagen in Belgisch Limburg aangekondigd.

1712-gastschr-andré dumont

André DUMONT, mijningenieur

willekeur van mijneigenaars

Het jaar daarop werd deze gedachte door den heer André Dumont,(foto rechts) leerling van Lambert, overgenomen en hij begon zijne opzoekingen met de heer Raky. Andere vorsers, de heren Jules Urbau, Wilmart en Putsage zetten zich eveneens aan ’t werk en doorboorden voor ’t eerst het kolenveld in 1897. André Dumont, hoogleraar te Leuven, en zijn helpers, na op het einde van 1899, op 900 meter diepte, een eerste boring te hebben moeten staken door een werktuigongeval, hadden een tweede boring begonnen te As, die op 1 Oogst 1901 de eerste kolenlaag bereikte op 532 m. diepte en het eerste staal Kempische kolen werd opgehaald. Deze heuglijke gebeurtenis gaf aanleiding tot het vormen van allerlei toekomstplannen voor ons land. De eerste geestdrift was evenwel van korte duur en koelde merkelijk af, nadat de ingenieurs de grote diepten van de lagen vastgesteld hadden en de moeilijkheden, die het productief maken der mijnen zou meebrengen. Ook de politiek, dit spreekt van zelf in ons land, kwam weldra op het voorplan in een zaak, die eigenlijk meer van economisch en maatschappelijk dan van staatkundig belang was en bracht een oplossing die ons heden noopt het onderwerp opnieuw te behandelen. Het is immers ten overvloede gezegd en bewezen geworden, dat met het algemeen belang bij het vergunnen van mijnvelden door de Belgische regering weinig of geen rekening gehouden werd, hoewel op zekere ogenblikken de volksmening zich zeer scherp tegen de vergunningen had uitgelaten. Reeds in 1900, ter gelegenheid van de overdreven opjaging der kolenprijzen, hadden talrijke nijveraars tevergeefs bij de regering geklaagd en doeltreffende maatregelen tegen de willekeur der mijneigenaars geëist. De regering kon te dien tijde niets anders doen dan wat ze deed, n.l. het tarief nr. 5-1 in werking stellen, d.i. de vervoerprijzen der vreemde kolen met 50 centiemen per ton te verminderen. Immers, België bezit geen staatsmijnen, kan geen mijnen voor eigen rekening uitbaten en is bijgevolg voor zijn eigen kolenverbruik afhankelijk van de leveranciers. Maar later, toen de boringen de plaats der kolenlagen hadden aangewezen, kon de regering, in stede van roekeloos de beste en gemakkelijkst te bereiken kolenvelden in vreemde handen te geven, deze voor den Staat voorbehouden en slechts geleidelijk, naarmate de behoeften der nationale nijverheid het vereisten, vergunningen toestaan, wanneer het zou blijken dat inlands kapitaal voorhanden was voor het bevruchten der ontginningen. Om andere redenen nog moest die reserve het eerste oogmerk der regering zijn. Het is immers een uiting van eenvoudig gezond verstand, wanneer de Staat, de voornaamste kolenverbruiker zijnde, doet zoals de grote nijveraars en zich verzekert togen het mogelijk geval van kolenschaarste, om het vervoer per spoor zonder moeilijkheden te kunnen bijhouden, zoals de memorie van toelichting bij de Pruisische wet van 1902 het betoont. Ten andere de moderne staten, waarvan de uitgaven onophoudelijk stijgen, moeten elke gelegenheid te baat nemen om hun fiscaal domein te vergroten, wanneer hierdoor het volksbelang niet geschaad wordt.

chronologisch overzicht over parlementaire tussenkomsten ivm koolbekken

Maar wij willen de gebeurtenissen niet vooruitlopen en geven eerst een beknopt chronologisch overzicht van wat zich in het parlement voorgedaan heeft vóór, tijdens en na het verlenen der concessiën in het Kempisch kolenbekken. In December 1900, tijdens de kolenduurte, stelde de heer senator Hanrez de regering voor, de vraag der herziening van de mijnwet van 1810 te willen ter studie leggen. Zijn voorstel werd afgewezen. Na de proefnemingen van Dumont en zijn aanvraag, gedaan de 5de Oktober 1901, om een vergunning te bekomen in het verkende bekken, legden de heeren Hanrez, Houzeau de Lehaye, Delannoy en Finet, op 24 December van dat jaar in de Senaat bepaalde voorstellen van herziening van de mijnwet neder en den 11de Maart 1902 een tweede voorstel tot voorbehouding door den Staat van zekere gebieden binnen het bekken van het Noorden van België. Deze voorstellen werden door de toenmalige voorzitter, hertog d’Ursel, naar de verenigde commissiën van rechtswezen en nijverheid verzonden, alwaar de vreemde wetgevingen en de vraag der reserven nauwkeurig onderzocht werden. Op 10 Januari 1903 legde de heer Dupont, verslaggever van de verenigde commissiën, een verslag neder met het besluit, de bespreking der verschillende de Staat voorgelegde ontwerpen te verdagen. In Februari 1905, na raadpleging van den Raad der Mijnen, legde de regering de Kamer een volledig ontwerp voor, dat echter eerst in 1906 ter bespreking kwam en op de 12den April 1907 gestemd werd. Het aannemen door de Kamer van zekere bepalingen in het wetsontwerp, die o.a. de beperking van de arbeidsduur der mijnwerkers voor doel hadden en door een deel der rechterzijde meegestemd werden, noopte de regering tot ontslagneming en intrekking van het wetsontwerp. Een nieuw kabinet werd gevormd en bracht de 7de Mei, door een buitengewone parlementaire procedure, het werk der Kamer voor de Senaat, maar onder voorbehoud van wijzigingen en voorlopig ontdaan, volgens het grondwettelijk voorschrift, van zijn financieel gedeelte, dat in de eerste plaats in de bevoegdheid der Kamer valt… Het oorspronkelijk Kamerontwerp dus, door de Senaat omgewerkt en naderhand natuurlijk vervolledigd door bijvoeging van de financiële beschikkingen, werd op Woensdag 22 Februari 1911 opnieuw voor de Kamer gebracht en op 3 Maart, met 89 stemmen op 117, aangenomen. De uiterste linkerzijde onthield zich bij de stemming.

tien jaar voor een politiek akkoord over de mijnen

Wij achten het van belang, met het oog op noodzakelijke toekomstige wijzigingen in de wet, hier aan de redenen der onthouding van die fractie te herinneren. Zij werden door den heer Hector Denis voorgedragen: De bestendige zorg om uit de teksten elk spoor van publieke domanialiteit te doen verdwijnen en de overigens onvoldoende reserve zelf haar domaniaal karakter te ontnemen door het wijzigen der oorspronkelijke teksten, in mijn ogen de nodige waarborgen voor de volgende geslachten niet meer gevende; de weigering een naastingsclausule op te nemen; het verwerpen van het grondbeginsel zelf, aan de Staat, als uitbater der openbare diensten, en aan de verbruikers in ’t algemeen, waarborgen tegen de macht der kartels ontnemende of kunnende ontnemen; daarenboven, het verwerpen van elk voorstel tot deelneming der werklieden in de winsten der vergunningen of der mijnrente, dan wanneer de vergunningen kosteloos geschieden; die we gering ener kapitale proefneming voor de toekomst van het proletariaat, namelijk de uitbating van een door den Staat toegeruste koolmijn door een samenwerkende arbeidersvereniging; de verwerping van het beginsel van een nationale maatschappij voor het uitbaten der mijnen, openbaren dat de herziene wet van 1810 stelselmatig het regiem van het eigendom, dat het verschil in de scheiding der klassen bestendigt, staande houdt; ten laatste, het verwerpen van andere voorgestelde amendementen, b.v. op de werkliedenverzekeringen en werkmanswoningen, al deze redenen zouden mij doen besluiten, mij tegen de wet uit te spreken ; maar de overweging der beschikkingen, bestemd om op doelmatige wijze de arbeidsvoorwaarden te verbeteren, de bepalingen betreffende het verval en de overdracht der concessiën, die wij goedgekeurd of gestemd hebben, doen mij tot onthouding besluiten.’ In de Senaat werd de wet op 6 April zonder verdere bespreking gestemd. Tien jaren waren dus nodig geweest om dit wetsvoorstel, dat volgens de verklaring van de heer Dupont de uitslag was van een volledig akkoord van regering, Kamer en Senaat, af te werken en dan nog op een wijze, die feitelijk niemand volkomen bevredigde. De regering handelde veel sneller, wanneer het gold concessiën te verlenen.

Het Vlaamsche Nieuws 22 september 1917

Reeds in 1905 verklaarde minister Françotte, een vroegere belofte brekend, dat hij zinnens was zekere concessies toe te staan, vooraleer de Kamer zou gestatueerd hebben op het wetsontwerp. De heer Descamps deed hem het onkiese zijner handelwijze opmerken: ‘Gij dient’, zo sprak hij, ‘een 1712-mijnwerkers voor afdaling-gastschrWetsontwerp in, dat gij beschouwt als moetende het huidig regiem verbeteren en gij wacht, om u het recht van concerteren voor te behouden, juist op de tijdruimte, die het neerleggen van het ontwerp scheidt van zijn stemming door het parlement. Dit lijkt mij wel een onregelmatigheid. Ik zou kunnen aannemen, dat gij ten opzichte van de ontdekker nog een vergunning volgens het oud regiem zou toestaan, hoewel het verkieselijker geweest ware dit te doen vóór het neerleggen van het wetsontwerp. Maar eens uw ontwerp ingediend, is het parlement met de oplossing der vraag belast, en gij hebt het recht niet meer, zedelijk ten ten minste, nog vergunningen toe te staan onder het regiem dat gij zelf als minder goed aanziet dan het regiem dat gij voorstelt; Er is daar, ik herhaal het, een onbetamelijkheid’. De heer Van den Peerenboom deelde dezelfde mening. De heer Françotte hield geen rekening met deze vermaningen en verleende op 1 augustus 1906 een eerste concessie aan de heer Dumont; dan, van 25 Oktober en op 29 November van hetzelfde jaar, nog, nieuwe vergunningen aan andere aanvragers, alles samen omvattende 27.850 hectaren binnen het rijkste gcdeelte van het kolenbekken. De minster had de belangen van het land over het hoofd gezien en meermalen zijn gegeven woord verbroken. Dit verwekte en ware storm in brede volkskringen en wij menen te mogen aannemen, dat deze uiting van het volksgemoed niet vreemd is geweest aan het inlassen in de wet van een artikel, luidend als volgt: ‘ De Staat behoudt zich de mijnen voor die zijn gelegen onder de gronden in het lichtrood getint op de bij deze wet gevoegde kaart, enz.’ Bedoeld werden 3 mijnvelden van een gezamenlijke uitgestrektheid van circa 20.000 hectaren. Een voorstel in dien aard was vroeger gedaan door de heer Hanrez, op grond van het bevoegd oordeel van de ere ingenieur der mijnen Harzé. Dit artikel werd in eerste lezing door de Kamer aangenomen op 26 April 1906, maar werd, na de hogervernoemde intrekking van de wet, door de Senaat volgenderwijze omgewerkt: ‘De mijnen die zijn gelegen onder de gronden, in het licht-rood getint op de bij deze wet gevoegde kaart, worden voorbehouden en kunnen slechts krachtens een wet vergunbaar zijn.’ Een amendement van de heer Denis, luidend: ‘Dit zal ook het geval zijn voor al de overige gedeelten van het kolenbekken van het Noorden van België waarvoor nog geen concessie werd verleend op de dag der afkondiging van deze wet’ werd verworpen. Ten slotte werd dus van het princiep der domanialiteit afgezien. Maar het aan genomen artikel geeft aan de wetgevende macht de gelegenheid om de staat zelf concessiën te verlenen, ten zelfden titel als aan een bijzonder vergunningsaanvrager ,met ongeveer dezelfde verplichtingen trouwens. Daaruit blijkt ook, dat de wetgeving alleen beschikt over het verlenen van vergunningen binnen de voorbehouden gebieden. Zij kan ook bepalen in de toekomst, dat de Staat zelf de gereserveerde mijnvelden mag uitbaten. Zal de wetgeving het doen ? Onder een Belgisch regiem geloven wij het niet, althans niet in afzienbare tijd. De toekomst zal leren. Misschien is het de Vlaamse regering der toekomst weggelegd, de jonge Vlaamse Staat in het bezit te stellen van een deel van het Kempisch kolenbekken en het voorbeeld van Holland en Duitsland te volgen. Met het oog op het vervolg van deze verhandelinng, kan het zijn nut hebben hier enige bijzonderheden mede te delen aangaande de Hollandse en Pruisische mijnen.

De steenkoolexploitatie in Nederland, Frankrijk,Pruisen

De Hollandse Staat bezat sedert het einde der 18de eeuw de kleine koolmijn van Kerkrade, waarvan de voortbrengst gebruikt werd door de spoorwegmaatschappij Aken-Maastricht. Een uitbating van geringe omvang dus. Buiten deze mijn was ook, ingevolge een besluit van Napoleon I, van 2 Februari 1808, nog de mijn van Neutpick-Bleyerheide in exploitatie gebracht, maar ook deze ontginning was van zeer beperkten aard. Door de wet van 10 juni 1845 deed de Staat voor 99 jaren afstand van de mijn van Kerkrade, ten voordele van genoemde maatschappij, en wel tegen betaling van 50.000 gulden. De maatschappij moest bovendien jaarlijks aan de schatkist betalen 5.000 gulden, wanneer de zuivere opbrengst 60.000 gulden bedraagt en verder de helft van de zuivere opbrengst, wanneer deze de 65.000 gulden overstijgt. Een bijzonder commissaris door de koning benoemd, houdt toezicht op de mijn, op kosten der maatschappij. Men mag zeggen, dat de koolmijn van Kerkrade de sleutel is geweest van het Hollands kolenbekken en, langs de weg der gevolgtrekking, van het Vlaams bekken. Tussen de jaren 1860 en 1880 werden een aantal concessiën in Hollands Limburg verleend, maar zij leverden geen gunstige uitslagen op. In 1891 werd een nieuwe aanvraag om vergunning ingediend, door de maatschappij ‘Oranje Nassau’, aanvraag die weldra bleek goede uitkomsten te moeten opleveren. De vergunning werd verleend op 2 Mei 1893. Talrijke nieuwe aanvragen kwamen nog bij de regering binnen. Maar de traagheid der vroegere concessiehouders, om hun werken uit te voeren, was voor de regering geen spoorslag om op de weg der vergunningen voort te gaan. Daarbij kwam dan nog, dat het Nederlands kapitaal weinig geneigdheid toonde voor mijnbouwondernemingen en dat integendeel buitenlandse invloed zich te zeer had doen gelden. Dit alles zette de regering aan, een kommissie van onderzoek naar het Saargebied in Duitsland te zenden, om de staatsuitbating aldaar te gaan bestuderen, waarna zij besloot, een gedeelte van het Limburger kolenbekken voor den Staat te behouden en door hem te laten ontginnen.

De staat Holland, de staat Pruisen als steenkooluitbater

De door de wet van 24 Juni 1901 voorbehouden gronden hebben een uitgestrektheid van 15.000 hektaren en bevatten omtrent 2 1/2 milliarden ton 1712-gastschr-mijnw-ondergrondssteenkolen. Het doel van de Hollandse Staat als mijnuitbater is niet louter eigen bevoorrading, maar ook het gedolven product aan de markt te brengen en winsten te verwezenlijken, net als de Pruisische Staat. Naar een matige schatting, moet de opbrengst van niet meer dan twee schachten (circa 500.000 ton per jaar) reeds spoedig een zuivere winst van 60 cent per ton of 300.000 gulden per jaar afwerpen. Hij streeft ook zijn onafhankelijkheid van het buitenland na. Voor de vloot werden de kolen tot voor 15 jaar, voornamelijk in Indie, ingenomen. In de jaarlijkse behoefte aan steenkool (ongeveer 6 millioen ton) wordt voor 3/4 door Duitsland voorzien; het overige wordt voor 2/3 door Engeland en 1/3 door België geleverd. Thans zijn verschillende Hollandse koolmijnen, hoewel zij lang vóór de onze hare aanvangswerken begonnen, nog steeds in haar stadium van opzoeken en afboren, terwijl bij Winterslag, in Belgisch Limburg, eerst in 1912 vergund, reeds sedert anderhalf jaar kolen opgehaald worden. Ook de Pruisische Staat bezit sedert 1816, namelijk in het Saarbekken, eigen kolenmijnen, die thans jaarlijks bij de 12 millioen ton kolen opleveren en 50.000 werklieden bezigen. (In het Saargebied worden kolen opgetrokken sedert de 15de eeuw.) Het is moeilijk de juiste winsten van de domaniale mijnen te kennen, hoewel de handelsminister jaarlijks aan de Pruisische Landdag, samen met het voorstel van begroting voor het volgend jaar, een bondig verslag over de verrichtingen tijdens het verlopen dienstjaar voorlegt. Maar dit verslag geeft slechts karige bijzonderheden over de uitbatingskosten. Om deze nader te ontleden, moet men de begrotingen zelve ter hand nemen, die slechts vermoedelijke uitgaven vooropstellen, maar toch de werkelijkheid benaderen. De heren Paul Weiss.lid van het korps der mijningenieuren van Frankrijk, in zijn werk ‘L’Exploitation des mines par l ‘état’, en Dr Alfred Bosenick in ‘Der Steinkohlenbergbau in Preussen’ geven daaromtrent cijfers aan, die volkomen overeenstemmen. In 1883/84 gaven de staatsmijnen van het Saargebied een winst van 10 millioen frank ongeveer ;in 1800/91 15,5 millioen ; in 1893/94 slechts 7,5 millioen; in 1897/ 98 opnieuw ongeveer 15,5 millioen; in 99/1900 20 millioen ; in 1900/01 31,5 millioen : in 1901/02 30 millioen ; in 1902/03 24 millioen fr. De Pruisische Staat streefde steeds naar vergroting van zijn mijneigendom. In 1902 kocht hij nog. 20.000 hectaren grond bij in Westfalen, hoewel de mijnvelden aldaar reeds vergund waren. Door de uitbating dezer mijnen verzekert hij zich den nodige voorraad kolen voor zijne ijzeren wegen, die jaarlijks 6 millioen ton kolen vergen. Het krediet van 72 millioen fr., door de Kamers voor de aankoop der gronden gestemd, moet thans reeds uitgedelgd zijn, zodat de onderneming wellicht een nieuwe bron van inkomsten wordt voor den Puisische Staat. De uitdelging van genoemd krediet zal wel gedeeltelijk oorzaak geweest zijn van de winstvermindering van 1902/03. De staatsmijnen van de Oberschlesien-, Norddeutsche-.Walderkohle-, Ibbenbüren-, Westfalen- en Saarbekkens brachten in 1912 samen 22.800.316 ton kolen op, een waarde van ongeveer 240 millioen fr. vertegenwoordigende en, matig berekend, een winst van omtrent 35 millioen fr. gevende. Die mijnen verschaffen werk aan 80.000 werklieden.

Het Vlaamsche Nieuws 23 september 1917

Het is ook bekend, dat Duitsland, in verhouding tot zijn oppervlakte, het kolenrijkste land der aarde is; Slechts in China en de Verenigde Staten is de gezamenlijke voorraad groter. Deze bedraagt in Duitsland 424 miljard ton en de jaarlijkse voortbrengst is tot 280 miljoen ton gestegen. Bij het begin van de wereldkrijg, had Duitsland aangevangen, Engeland in dit opzicht te overvleugelen.

II. De economische waarde van het Kempenland

17712-gastschr-twee mijnwerkersHet kolenverbruik is het zekerste kenteken van de voorspoed der nijverheid in een land. Een volk dat zich de nodige voorraad kolen voor zijn nijverheden en vervoer niet verzekert, loopt gevaar te vervallen op de wereldmarkt en zich te verzwakken. Dit zou bvb. ook met België het gevaar zijn, indien het slechts zou beschikken over de Waalse steenkoolmijnen. Deze brengen niet meer genoeg op om het land te bevoorraden. Sinds 1900 bedraagt de gemiddelde kolenopbrengst in België bij de 23 miljoen ton. Maar het gezamenlijk kolenverbruik vóór de oorlog op 26. 716.000 ton gestegen. Zodat ons land zich, ondanks de grote kolenvoortbrengst , zich moet wenden tot het buitenland, in het bijzonder tot Duitsland om het tekort aan te vullen. De invoer van kolen was de uitvoer bedenkelijk gaan overstijgen. Onze uitvoer bedroeg in 1880 5.599.000 ton kolen; in 1912 6.963.000 ton. Onze koleninvoer bereikte in 1880 936.000 ton; in 1913 10.478.000 ton. Dit had een verschuiving van kapitaal naar de vreemde voor gevolg, die nadelig was voor ons staatshuishouding. Hierbij dient evenwel opgemerkt, dat niet alleen de onvoldoende voortbrengst (bijzonder van gaskolen) oorzaak van dit nadeel was, maar ook het overdreven winstbejag der Waalse mijneigenaars en de betere uitbatings- en vervoersvoorwaarden der kolen van het Ruhrgebied, die de Waalse kolen stilaan verdrongen. De kostprijs aan de koolputten van het Ruhrgebied is lager dan aan de Waalse koolputten. Bovendien zijn de vervoerprijzen naar Antwerpen en het Noord-Oosten van België insgelijks lager. De gemiddelde vervoerprijs per ton kolen, vóór de oorlog van Ruhrort naar Antwerpen per schip overgebracht, was 1,50 fr, dan wanneer van Luik naar Antwerpen deze prijs 2,35 fr., en van Charleroi naar Antwerpen 2, 80 fr. Bedroeg. Ook de Engelse en Franse kolen werden goedkoper naar Vlaanderen geboerd dan de Waalse. Nu zijn er velen, die terecht menen dat ons land voor zijn kolenbevoorrading onafhankelijk kan worden van het buitenland, door de uitbating der Kempische kolenmijnen en dat deze de vreemde invoer zal voorkomen. Maar daarom moeten de Kempische kolen aan de verbruiker goedkoper geleverd worden dan de vreemde.

De nijverheid volgt de kolen

De opdelvingsprijs zal hier zeker hoger zijn dan b.v. in Westfalen, gezien de grote diepten waarop de kolenlagen zich in de Kempen bevinden. De Duitse kolen genieten van gunstige vrachtprijzen, door de grote massa’s die ervan langs den Rijn over Rotterdam of langs de Gladbachspoorweg, naar Antwerpen vervoerd worden. Men vinde dus het middel, om de kolen goedkoop op te halen en te vervoeren en de voornaamste reden van de Belgische verbruikers, om zich in Duitsland te voorzien, verdwijnen. Daar in de Kempen ook cokeskolen in ruime mate voorhanden zijn, kunnen ook de bestellingen daarvan in de vreemde wegvallen. Dit alles is ook van belang tegenover de bewering, als zou het lot van Vlaanderen economisch onafscheidbaar van dat van Wallonië zijn. Volgens hen die dat beweren zou de politieke scheiding van Vlaanderen en Wallonië de economische scheiding voor gevolg hebben en een ramp voor Vlaanderen zijn. Bevoegde mannen antwoorden daarop, dat de politieke scheiding niet noodzakelijk economische scheiding betekent: de economische band kan altijd blijven bestaan, ook al vormden Vlaanderen en Wallonië twee staten. Maar zelfs zonder tolunie met de Walen, kunnen de Vlamingen binnen afzienbare tijd een ordentelijke staat vormen. Kolen en machinerie kunnen de Vlamingen overal krijgen, bvb. in Duitsland, tot op het ogenblik dat het productief maken der Kempische mijnen en de daaruit voortspruitende ontwikkeling der Vlaamse nijverheid hun land op die beide gebieden onafhankelijk van de vreemde hebben gemaakt. Volgens Bornhardt, geheim raadsheer der mijnen bij de bezettende macht, zal het Kempische bekken over een tiental jaren 6 miljoen ton kolen per jaar opleveren, voortbrengst die geleidelijk tot 20 miljoen ton zal kunnen gebracht worden. Indien de mijnnijverheid aldaar dezelfde ontwikkelingsgang volgt – en dat is te voorzien naar het axioma ‘de nijverheid volgt de kolen  dan zullen wellicht de stoutste verwachtingen van de partijgangers van Vlaanderens’ zelfstandigheid nog overtreden worden.

De rol van de haven van Antwerpen

samenw-VL-NDLDaartoe evenwel hoeft een bij uitstek Vlaamse bedrijvigheid: de landbouw, haar graanvoortbrengst enigszins te wijzigen en ander afzetgebied te zoeken. Tot hiertoe raadde men onze landbouwers aan, te werken voor de Engelse markt. Deze is, in normale tijden, reeds overstelpt. Zij moeten voor de Duitse markt werken, zoals de Hollandse boeren. Onze  graanvoortbrengst is, naar het schijnt, niet te verbeteren, ons neerhof wel; wij hebben rasduiven, reuzenkonijnen, prachtige paarden, hoenders zoals in geen ander land. Onze kwekers moesten zich nog meer toeleggen om verbetering en vermeerdering dezer soorten. Ook de helft der nijverheidsplanten als tabak, vlas enz. en de zadenproduktie verdient meer de aandacht van onze landbouwers. Dit wil niet zeggen dat zij uitsluitend voor de uitvoer moeten werken en de eigen bevoorrading onzer bevolking moeten verwaarlozen. Thans moeten wij ons, voor onze bevoorrading met granen, grotendeels tot het buitenland wenden. Is  dat niet te verhelpen door bevruchting der Kempenlanden? Daar liggen nog duizenden hektaren gronds onbebouwd. Kan het voorbeeld van Duitsland niet worden gevolgd, dat vroeger reeds de heidegrond van Brandenburg vruchtbaar maakte met de vuile waters van Berlijn en tijdens deze oorlog grote uitgestrektheden in de Lüneburger-heide met goed gevolg voor volksvoeding liet bewerken? Wat waar is voor de kolen en de nijverheidsprodukten is het ook voor de landbouw: al wat wij in ’t land zelf kunnen winnen, moeten wij bij de geburen niet gaan kopen. Het Kempisch kolenbekken kan… een goudmijn worden voor Vlaanderen! Men merke wel het grote voordeel voor het Kempische kolenbekken van de nabijheid van de haven van Antwerpen, waaraan het reeds thans verbonden is door vaar- en ijzeren wegen, die zeker zullen moeten verbeterd en vermeerderd worden. Binnen een 20-tal jaren zullen onze Kempen een der belangrijkste nijverheidsgebieden van de wereld zijn, vooruitgezet, dat een wijs staatsbestel te dien einde de nodige voorzorgen neme. Kolen zullen er in overvloed zijn. De haven van Antwerpen, die geroepen is om de grootste ter wereld te worden, zal de grondstoffen uit verre landen ontvangen en voor de uitvoer der hier te lande afgewerkte voortbrengselen zorgen. Een politiek, die alle economische factoren van het Vlaamse land economisch zou weten te ontleden en tot hun hoogste ontwikkeling brengen, zou voor het land onschatbare gevolgen hebben?

III. Technisch en Financieel overzicht

Het Kempisch kolenbekken heeft een oppervlakte van ongeveer 1300 vierkante kilometers (vk klm). Slechts een vierde van het verkende bekken, ongeveer 315 vk klm, werd tot op heden vergund. De door de wet van 1911 voorbehouden gedeelten hebben een uitgestrektheid van omtrent 200 vk km. Deskundigen hebben berekend dat de kempische ondergrond ten minste 8 mijard aan steenkool bevat (7 miljard in Limburg, 1 miljard in de provincie Antwerpen die, naar zeer bescheiden schattingen, een waarde van 50 miljard frank vertegenwoordigen (minister Helleputte schatte ze op 80 miljard. Naar de huidige stand der kolenprijzen, is de waarde van de kostelijke brandstof die in de Kempische ondergrond berust onberekenbaar) De Kempische kolen kunnen als volgt gerangschikt worden: 4 miljard ton vette kolen met meer dan 30 ten honderd gasachtige bestanddelen: 3 miljard ton ongeveer met 18 tot 30 ten honderd gas en 1 miljard ongeveer halfvette kolen; het Kempische kolenbekken heeft het nadeel, dat zijn kolenlagen zich op zeer grote diepten bevinden.

1712-gastschr-mijnmuseum Beringen

Mijnmuseum kolenbekken Limburg -Beringen (Vl.)

Het Vlaamsche Nieuws 25 september 1917

de kostprijs, risico’s aanleg van schachten

In de drie reservaatvelden werden de kolen aangetroffen op de volgende diepten: a) in het Oostelijk veld (tusschen As en Eisden): in ’t Zuiden op 385 meters, in ’t Noorden op 680 meters; b) in het Centraal veld (ten Noordoosten van Hasselt) : in ’t Zuiden op 450 meters, in ’t N’oorden op 700 meters; in het Westelijk veld (provincie Antwerpen) : in het Zuiden op 700 meters, in ’t Noorden op 850 meters. Moeilijkheden en hindernissen zijn ruimschoots voorhanden voor het produktief maken der mijnen en hebben onze techniekers dikwerf voor harde proeven gesteld. Bij het afbouwen der schachten moet steeds gerekend worden met waterinbreuk en drijvend zand. Waar deze voorkomen, wordt doorgaans het stelsel der bevriezing aangewend. In de aldus verharde gronden werkt de puttenboorder als in een ijsblok. Het afbouwen van iedere schacht kost 12 tot 15 miljoen frank; andere gebouwen, arbeiderskoloniën, aankoop van gronden, enz kosten, naar de belangrijkheid der onderneming, tussen 4 en 10 miljoen frank. Voor het aanleggen van 2 schachten en al de bijgebouwen moet dus een kapitaal van ongeveer 30 miljoen beschikbaar zijn. Deze cijfers geven een gedachte van de aanzienlijkheid der voor het nieuwe bekken te belenen sommen. Al deze moeilijkheden werden overwonnen en in Maart 1916 werd in nijverheids- en financiekringen het opzienbarend nieuws verspreid, dat een eerste vracht van Kempische kolen uit de eerste schacht van Winterslag bij Genk naar boven gehaald was. (Het eerste staal was op 1 Juli 1914 opgehaald.) De twee schachten hebben 700 meters diepte. Tijdens dezen Zomer waren in deze mijn ongeveer 750 personen, bedienden en werklieden, aan den arbeid (dag- en nachtploegen). De bouw der onderaardse gangen wordt voortgezet. De eigenlijke kolenexploitatie is nog niet aan de gang. Het bestuur laat slechts de kolen optrekken, die nodig zijn voor de werken zelf en voor het eigen verbruik van het personeel en enige bevoorrechten. De kolen werden van in September verkocht aan de volgende prijzen : Fijne (gruis) per 100 kg.: voor het werkvolk, 2.15 fr.; voor anderen, 2.30 fr. Gewassen, per 100 kgr.: voor het werkvolk, 2.80 fr.; voor anderen, 2.95 fr. Kolen en gruis, per 100 kgr. : voor het werkvolk, 2.95 fr.; voor anderen, 3.15 fr. Dik mengsel, per 100 kgr. : voor het werkvolk, 3.25 fr.; voor anderen, 3.40 fr. galietkolen, per 100 kgr.: voor het werkvolk, 4.20 fr.; voor anderen, 4.40 fr. Of de prijzen thans niet gestegen zijn, weten wij niet. De kolen van Winterslag zijn geschikt voor het vervaardigen van coke en gelijken aan de schone kwaliteit der Cardiffkolen Er zijn bovendien magere kolen, die sodakoolstof bevatten en geschikt zijn voor het stoken op de schepen. Te Waterschei, bij Dumont, liggen de werken stil sedert November van verleden jaar, om redenen die wij kennen maar hier thans bezwaarlijk kunnen uiteenzetten. De schachten hebben 480 meters diepte bereikt en zijn nog slechts oen 20-tal meters van de kolen verwijderd.

Het doet toch zonderling aan, als men bedenkt, dat de drie Kempische maatschappijen die met Frans kapitaal werken, ijverig voortbouwen en dat de Belgische maatschappij Dumont aan het werk verhinderd wordt! Bij Eisden had de concessie Limbourg-Meuse aanvang September 1916 reeds 355 meters schacht afgebouwd en moest nog slechts 125 meters dieper gaan, om de kolen te bereiken. Van die 355 meters uitdieping valt het hoofddeel (220 m.) binnen de oorlogstijd, zodat mag gerekend worden met de aanstaande uitbating. Drie boringen doorsneden elk 9 lagen kolen met onderscheidenlijk 7.12 m., 9 en 10.63 m. gezamenlijke dikte. Bij Zwartberg (concessie der Luikenaars), waar de bovenste kolenlaag op 560 m. diepte ligt, was verleden jaar een schacht tot op 366 meters afgebouwd. Hier werden 3 boringen tot op 1.102 m. gedaan; 29 lagen .van 0.40 tot 2 meters en een gezamenlijke dikte van 21 meters werden doorsneden. Men rekent hier op een dagelijkse voortbrengst van 4000 ton. Te Beringen zijn de 2 schachten ook omtrent tot bij de eerste kolenlaag afgebouwd. Deze ligt op 620 meters. De schachten hebben omtrent 590 meters bereikt. De concessie is zeer rijk aan kolen, maar deze liggen dieper dan in de meer Oostelijke velden. In het midden der ver gunning werden tussen 625 en 885 meters 10 lagen doorboord met een gezamenlijke dikte van 14 meters. De maatschappij van Helchteren-Zolder deed 12 boringen van 550 tot 1.074 meters. Een der boringen doorsneed tussen 618 en 837 m. 11 lagen met te samen 11.50 dikte. De 3 jongste boringen doorsneden tussen 600 en 1.074 meters 11 lagen met een gezamenlijke dikte van 16 m. kolen. Daaronder zijn lagen van 1.72 m. Er mag dus wel gezegd worden, dat de schattingen nopens de waarde van het Kempische kolenbekken niet overdreven zijn.

concessies in vreemde, Franse handen

1712-gastschrij-Franse kolenstreekHet financieel gezichtspunt van het vraagstuk der Kempische kolenmijnen is van overwegend belang voor de toekomst van ons land. Door de onbezonnenheid onzer regering — wij bezigen verzachte uitdrukkingen — zijn meerdere concessies in werkelijkheid, door verkopen of afstaan van aandelen en andere belangen in de gestichte naamloze vennootschappen, grotendeels in vreemde handen overgegaan. Wij laten hier de Belgische vennootschappen onbesproken. De gegevens die volgen zijn ontnomen aan ‘Le Recueil Financier des Charbonnages de Beeringen’. — Op 20 leden die de Algemene Raad uitmaken, treffen wij 16 Fransen aan, waaronder de betekenisvolsten zijn: Mr. Cavalier, van de Forges et Hauts Fourneaux de Pont-a-Mousson ; Guy de Wendel, van Hayange in Duits-Lorreinen, die, naar we menen, naar Frankrijk is gegaan tijdens de oorlog; Mathieu Coudchaux, van Parijs, beheerder; Ch. Ern. Ledoux, Parijs, beheerder. Onder onze landgcnoten vinden wij in deze zonderlinge Belgische maatschappij de heer Jean Jadot, van de Société Générale. De maatschappij werd gesticht te Luik de 23n Februari 1907, met een kapitaal van 25 miljoen frank en 50.000 aandelen van 500 fr. ‘Soc. Anversoise de Sondages’. — In deze kleine maatschappij met 750.000 fr. kapitaal, zien wij in schijn slechts Belgen. Maar bij nader toezien, vinden wij onder de komparanten bij den stichtingsakt Mr. Louis Mercier, bestuurder der mijnen van Béthune, voor 158/750ten en bovendien Paul Lenglet, van Parijs, en Leon Saelier, hoofdingenieur der mijnen van Anzin. Onder de Belgen noemen wij André Dumont en baron Aug. Goffinet. De maatschajipij werd te Brussel gesticht den 2 April 1902. ‘Charbonnages de Winterslag’. — Deze maatschappij telt op 14 leden die haar Algemene Raad vormen, 7 Fransen. Hun namen zullen klaar doen inzien, welke Franse groep meester geworden is van de eerste produktieve mijn der Kempen: De voorzitter van de Raad is Eug. Schneider, van Le Creusot. Onder de bestuurders zien wij .graaf Abel Armand, René Petitjean, Ach. Fournier-Cussac, en Claude Julliot van Le Creusot. Onder de kommissarissen : L. Guénard en Jos. Chauzaud, van Parijs. Men weet dat de bijzonderste belanghebbende Belgen zijn : Raoul Warocqué en baron Evence Coppée, vertegenwoordigende de koolmijnen van Resaix, Leval, Péronne, Ste Aldegonde en Genck. De Maatschappij werd te Brussel gesticht op 30 Augustus 1912. Haar kapitaal bestaat uit 12.000 aandeden zonder nominale waarde, en 52.000 obligaties van 500 fr. met 4 1/2 t. h. Eindelijk, in de ‘Charbonnages Lïmbourg-Meuse’, een der belangrijkste ondenemingen der Kempen, zijn er op 16 beheerders 10 vreemdelingen, w. o. 8 Fransen en 2 Duitsers. De afgevaardigde-beheerder is Louis Mercier, bestuurder der mijnen van Béthune, wiens naam wij reeds hoger aantroffen (Soc. Anv. de Sond.). De maatschappij werd gesticht te Brussel de 22ste Juni 1907 met een kapitaal van 30 miljoen frank en 60.000 aandelen van 500 fr. Er werden tevens 60.000 dividentaandeelen zonder nominale waarde gesticht. Zoals men ziet, is de algemene toestand bedenkelijk. De ondergrond der uitsluitend Vlaamse provinciën Limburg en Antwerpen is de prooi geworden van vreemde zakenmannen, althans voor een aanzienlijk deel. Het is volstrekt nodig dat in deze toestand verholpen worde. Zo er geen verandering komt, zouden de vreemde elementen van de Kempische maatschappijen niet alleen een verfransende invloed uitoefenen, maar de taal en volksbelangen van onze Vlaamse werklieden zouden miskend, verkracht worden en  wij zouden machteloze toeschouwers zijn van de langzame maar zekere ontaarding en vervreemding van deze beide provinciën.

Het Vlaamsche Nieuws 26 september 1917

De inrichting van een degelijk vak-, technisch-, nijverheids- en huishoudonderwijs en de verbreiding van de openbare en bijzondere gezondheidsleer zullen krachtige hefbomen zijn voor de ontwikkeling van alle economische factoren in het Vlaamse land. De invoering van een nieuw regiem, strokende met de eigen geest en het wezen van ons volk, moet de mogelijkheid scheppen van een brede, onbelemmerde ontplooiing van alle Vlaamse volkskrachten en kultuurwaarden. Besluit : De ontginning van het Kempisch kolen, bekken in volksgezinden geest, is ongetwijfeld een der belangrijkste factoren voor de welvaart van het Vlaamse land. Onder het oude regiem was een zulkdanige oplossing quasi-onmogelijk. Oude ingewortelde- vooroordelen, blooheid tegenover radikale demokratische hervormingen en, wie weet? Misschien het duister spel der ongekende persoonlijke belangen, hebben onze regering een reuzenvermogen in de handen van vreemdelingen doen werpen. Na de ontdekking der kolen in de Kempen, hebben wijze raadsmannen haar nochtans op hare plichten gewezen, om onmiddellijk de hand aan ’t werk te slaan en de beste kolenvelden zelf uit te baten voor eigen verbruik en om gewapend te zijn tegen mogelijke gevallen van krisis in de kolennijverheid. Wij voelen thans de gevolgen van haar talmen en haar mangel aan vooruitzicht. Had zij toen naar wijze raad geluisterd, zou ons volk nu niet te lijden hebben onder de nijpende kolenschaarste. Op vier jaren tijd, van 1912 tot 1910, heeft de maatschappij van Winterslag  haar koolputten produktief gemaakt. De regering had nog betere gelegenheden en meer tijd dan die maatschappij. Zij heeft moedwillig de kans verkeken. Zij heeft trouwens steeds de belangen van ons volk opgeofferd aan die van de verfranste minderheid in ons land. Nooit heeft zij ons volk goedwillig haren steun, verleend in zijn streven naar hogere ontwikkeling in eigen taal en naar stoffelijke welvaart. Thans broodrooft zij Vlaamse leiders, dreigt anderen met dwangarbeid, verbant een Vlaamse aalmoezenier op een naakte rots in de Oceaan, enkel en alleen omdat deze mannen tijdens de oorlog voor de rechten van het Vlaamse volk durven opkomen. Van de anderen kant wil zij ons toekomstig lot afhankelijk maken van de willekeur van Frankrijk en Engeland, die in hun betrekkingen met kleinere volkeren, nooit iets anders dan hun eigen belangen nastreefden.

IV. Een droom: Het Kempisch kolenbekken, publiek bezit in de Staat Vlaanderen

Om nu tot ons eigenlijk onderwerp terug te komen, willen wij nog eens de middelen samenvatten, die wij de geschiktste achten om ons volk in de 1712-gastschrij-vlaamse leeuwgelegenheid te stellen, te genieten van de onschatbare voordelen welke de bevruchting van het Kempisch kolenbekken ongetwijfeld zal opleveren in een nabije toekomst : 1) Uitroeping van den Staat Vlaanderen. 2) Naasting door deze Staat van de kolenmijnen die, geheel of grotendeels, een vreemd bezit uitmaken (Beringen; Limbourg-Meuse; Winterslag). Dit kan geschieden door uitbetaling der beleende kapitalen, vermits deze nog geen winsten hebben kunnen afwerpen. 3) Herziening van de mijnwetten van 1810, 1837 en 1911 en invoering van het princiep der publieke dominaliteit in de vernieuwde wet. 4) Voorbehouding door de Staat van al de nog niet vergunde kolenvelden. 5) Uitbetaling door de Staat van een of meer mijnen voor zijn eigen verbruik. 6) Oprichting van al de onderwijsgestichten die een rationele ontginning van het Kempisch kolenbekken kunnen bevorderen.eggen van tuinsteden in de nabijheid van de koolmijnen. 7) Aanleggen van tuinsteden in de nabijheid van de koolmijnen. 8) Verbetering van de loop der Schelde en vergroting der haven te Antwerpen. 9) Invoering van voorkeurtarieven op het spoor en vermindering der vaartrechten voor de Kempische kolen. 10) Vruchtbaarmaking van de Kempische heidegronden. En ten laatste, in een verdere toekomst, stichting ener Vlaamse handelsvloot.

Wie zal dit programma uitvoeren? Zal het de Raad van Vlaanderen zijn? Om het even, als het nieuwe bewind bestaat uit mannen, die door hun kennis, hun verleden en niet het minst door hunne liefde voor hun volk bewezen hebben, dezes vertrouwen waardig te zijn, dan mogen, zij van nu af aan op zijnen steun en zijne erkentelijkheid rekenen. Ten slotte houden wij er aan, te verklaren, dat wij deze verhandeling schreven om ons volk voor te lichten tot de erkenning van zijn ware belangen te brengen. Haat kennen wij niet; alleen liefde en plichtbesef heeft ons geleid. Indien wij door het schrijven van dit werkje enigszins mochten bijdragen tot ‘het verwijderen van ongezonde toestanden in ons land en tot heropbeuring van ons volk, dan zouden wij ons ‘rijkelijk’ beloond achten. Leve het zelfstandige Vlaanderen!

Arthur Leopold Faingnaert

 

referenties:



Faingnaert, Arthur L.

(Sint-Martens-Lierde 4 januari 1883 — Amersfoort 4 januari 1971).
Was vroeg wees en werd grootgebracht bij pleegouders. Faingnaert kreeg een opleiding tot kleermaker, behaalde vakdiploma’s en opende te Brussel een eigen zaak, die goed liep. August Vermeylen en Lodewijk de Raet behoorden tot zijn klanten. Verder deed hij aan sociaal werk, uitgaande van de Christen Centrale.
Omstreeks 1900 kwam Faingnaert in contact met de V.B.; hij werd lid van het Algemeen-Nederlands Verbond en van De Distel. Tijdens de Eerste Wereldoorlog trad hij toe tot het activisme. Hij behoorde tot het groepje radicale flaminganten van de Vereeniging van Vrienden der Vlaamsche Zaak (opgericht 18 juni 1915) en was later medeoprichter en bestuurder van de Vlaamsche Landsbond (federalistische richting). Met Jozef Haller von Ziegesar convoceerde hij de leidende flaminganten tot de vergadering van 16 december 1916 in het Vlaamse Huis te Brussel. Aan dat initiatief ontsproot op 4 februari 1917 de Raad van Vlaanderen. Daarin had ook Faingnaert zitting; tevens was hij hoofd van het Centraal Vlaamsch Propagandabureau van die Raad. Faingnaert behoorde in de Raad eerst tot de groep van de gematigde unionisten, maar na geschillen met Frans Reinhard werd hij met enkele anderen ‘wild’, dat wil zeggen onpartijdig tussen unionisten en Jong-Vlamingen; later leunde hij dan weer veel meer aan bij de radicale Jong-Vlamingen dan bij de gematigde unionisten.
Arthur Faingnaert bezoekt als hoofd van het Centraal Vlaamsch Propagandabureau het krijgsgevangenkamp te Göttingen in december 1917, samen met Jef van den Eynde en Pieter Tack. In 1933 publiceerde Faingnaert een geschiedenis van het activisme om criticasters de mond te snoeren. (advn)

Na de Duitse nederlaag werd Faingnaert bij verstek ter dood veroordeeld (1919). Eerst hield hij zich schuil in België, maar in maart 1919 week hij uit naar Nederland. Enkele maanden later wist hij ook vrouw en kinderen over de grens te krijgen. De Faingnaerts vestigden zich te Soest, later verhuisden ze naar Amersfoort. Faingnaert oefende weer het kleermakersvak uit; de jaren 1920 waren voor hem niet slecht, daarna werd het bestaan zorglijk. De V.B. bleef hij uit de verte volgen. Hij onderhield contact met strijdgenoten van voorheen en publiceerde menige bijdrage in Vlaams-nationalistische en Dietse bladen: in Opstanding (1920, onder het pseudoniem van Geert van Geersbergen); vervolgens meestal onder eigen naam in De Noorderklok, Het Vlaamsche Land (1935-1937) (waarvan Faingnaerts vriend Raf Verhulst hoofdredacteur was) en in De Hollandsche Post (met Jef Hinderdael).
In 1933 verscheen zijn omvangrijke geschiedenis van het activisme, tevens bedoeld als Vlaamsgezind antwoord aan Henri Pirenne en de uitgave van de Archives du Conseil de Flandre door de Ligue nationale pour l’unité belge (1929).
Na de Tweede Wereldoorlog bezat Faingnaert geen strijdlust meer, maar gaf wel nog blijk van een uiterst rechtse politieke gezindheid. Hij leverde een enkel artikel aan het blad Dietsland Europa en onder het pseudoniem van Leo van Lierde een aanzienlijk aantal bijdragen aan Europa Post, een rechts blad uitgegeven door de Eindhovenaar Gerard van der Ven, een vurig bewonderaar van Arnold Meijer.

Werken:

Artikelen in De Arbeider; L’Action démocratique, Europa Post;
Wat het Vlaamsche Volk moet weten aangaande het Kempische Kolenbekken, 1917;
Verraad of zelfverdediging? Bijdragen tot de geschiedenis van den strijd voor de zelfverdediging van Vlaanderen tijdens den oorlog, 1933;
‘De noodlottige scheiding’, in Dietsland Europa (juli-augustus 1969).

Literatuur:
  1. Basse, De Vlaamsche beweging van 1905 tot 1930, 2 dln., 1933;
    H.J. Elias, 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939, I, 1969;
    L. Buning, ‘Arthur Leopold Faingnaert’, in Het Pennoen, jg. 21 (1971), p. 6-7;
    L. Wils, Flamenpolitik en aktivisme, 1974;
    D. Vanacker, Het aktivistisch avontuur, 1991;
    L. Vandeweyer, ‘Het activisme in Limburg tijdens de Eerste Wereldoorlog’, in Limburg – Het Oude Land van Loon, nrs. 2-3 (1997), p. 97-139 en p. 193-230.
Verwijzingen:

zie: Limburg.

Auteur(s):

Lammert Buning; Pieter van Hees

 

  • Over mij

    • Miel Dullaert
      °1948 Enkele stipmomenten… Kind en tiener Ik ben geboren in Merksem. Ik behoor tot wat men noemt, de babyboomgeneratie of de eerste
      Meer lezen...
  • Citaat

    De utopie is de noodzakelijke droom,
    de realiteit de permanente uitdaging
    (D. Cohn Bendit, ex-politicus)

  • Edward ELGAR, NIMROD

  • Tag cloud

  • Deel onze pagina op:

    © Copyright 2019 ‐ Miel Dullaert ‐ Alle rechten voorbehouden

    Disclaimer | Privacybeleid

    Webdesign by Eye